Zenuwcellen communiceren via minieme elektrische signalen. Elektro-encefalografie, kortweg eeg, meet de som daarvan via elektroden op de hoofdhuid en legt die vast als curves. Het apparaat registreert alleen; het geeft geen stroom of straling af aan het lichaam.
Bij een epileptische aanval ontladen zenuwcellen zich kortstondig overmatig en tegelijkertijd. Dat kan zich uiten in schokken, verstijven en bewusteloosheid, maar ook in een korte afwezigheid, een vreemd gevoel of tintelingen. Niet elke aanval betekent epilepsie: slaaptekort, alcoholontwenning, een te lage bloedsuiker of een acute aandoening van de hersenen kunnen een enkele aanval uitlokken. Specialisten spreken van epilepsie als er minstens twee aanvallen zonder zo’n aanleiding optreden met meer dan 24 uur ertussen, of als er al na een eerste aanval een hoog risico op nieuwe aanvallen bestaat.
Het eeg zoekt naar patronen die typisch zijn voor epilepsie en die ook tussen de aanvallen kunnen voorkomen. Ze laten zien of aanvallen van één plek in de hersenen uitgaan of de hele hersenen omvatten, en helpen om het risico op nieuwe aanvallen en de passende behandeling in te schatten. Een normaal eeg sluit epilepsie echter niet uit. Herhaalde registraties, een eeg na slaapdeprivatie of een langdurige meting maken de uitslag betrouwbaarder.
Het eeg is één bouwsteen van het onderzoek, maar niet de enige. Even belangrijk is een nauwkeurige beschrijving van de aanval door mensen die hem hebben meegemaakt; een filmpje met de telefoon kan erg helpen. Daarbij komen een mri-scan van het hoofd, die volgens de richtlijn binnen enkele dagen moet plaatsvinden, en bloedonderzoek. Zo zijn epileptische aanvallen ook te onderscheiden van flauwvallen en andere aanvalsachtige gebeurtenissen.